Naar inhoud springen

voorzetten

Uit WikiWoordenboek
  • voor·zet·ten

voorzetten [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voorzetten
zette voor
voorgezet
zwak -t volledig
  1. eten of drinken opdienen
    • Dan zal ik jullie eens een maaltijd voorzetten. [2] 
    • Artikelen over dierenwelzijn en veehouderij duikelden afgelopen week over elkaar heen. De Hilversumse veganist Rick Scholtes wil zelfs zijn huisdieren geen dierlijke producten voorzetten. Dierenarts Jan Dijkhuizen ziet koeien als melkfabriekjes wier leven optimaal is als ze maximaal produceren. Roos Vonk kwam nog eens terug op haar vergelijking tussen de Holocaust en de bioindustrie. [3] 
  • je beste beentje voorzetten
heel erg je best doen zodat je een goede indruk maakt op anderen
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Herzen, Frank
    De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 100
  3. Volkskrant Pay-Uun Hiu 2 oktober 2017

de voorzettenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord voorzet
vervoeging van
voorzetten

voorzetten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van voorzetten
    • ...dat wij voorzetten. 
    • ...dat jullie voorzetten. 
    • ...dat zij voorzetten. 
92 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be